Deel 6 Saint-Léger-Vauban. Semur-en-Auxois en Flavigny-sur-Ozerain: Cultureel Erfgoed en Anijs
De mevrouw van het Office de Tourisme in Quarré-les-Tombes raadde ons het museum Vauban aan in de naar hem vernoemde plaats Saint-Léger-Vauban, waar aan de hand van een expositie en een film van 20 minuten een beeld gegeven wordt van zijn leven en werk.
Gedurende zijn hele carrière stond Vauban zeer dicht bij de koning en de macht. Hij kent de Franse politiek en de samenleving van zijn tijd goed. Hij aarzelde niet om Lodewijk XIV beredeneerde adviezen te geven over het beleid dat zowel binnen als buiten het koninkrijk moest worden gevoerd. Het is een heel sociaal en politiek programma dat Vauban in zijn memoires tekent in zijn zorg voor gerechtigheid en de zoektocht naar een machtig Frankrijk verenigd achter zijn monarch. Maar er werd weinig naar zijn voorstellen geluisterd omdat ze de opvattingen en privileges van de samenleving van het Ancien Régime in twijfel trokken. Kerken worden gesloopt, protestantse bijeenkomsten worden verboden, bekering tot het katholicisme wordt met geweld opgelegd (dragonnades). Sommige verzetsstrijders werden uitgeroeid (Vaudois en Camisards in Zuid-Frankrijk). Geconfronteerd met deze breuk blijven de gereformeerden ondergronds praktiseren (de Kerk van de Woestijn). Maar velen ontvluchtten Frankrijk en zochten hun toevlucht in protestantse landen (Engeland, Nederland, Brandenburg, Zwitserland en zelfs Noord-Amerika en Zuid-Afrika), waar ze deelnamen aan de economische ontwikkeling.

Als katholiek aarzelt Vauban niet om bepaalde beslissingen en praktijken van de geestelijkheid, nauw verbonden met de koninklijke macht, aan de kaak te stellen, die vaak hun eigen belangen boven die van het koninkrijk en de religie stellen. Vauban komt op voor de vrijheid van godsdienst in Frankrijk. De moeilijke relaties tussen katholieken en protestanten in het 17e-eeuwse Edict van Nantes, uitgevaardigd door Henri IV in 1595, hadden de protestanten vrijheid van aanbidding en juridische, politieke en militaire garanties verleend. In 1661 kwamen 850.000 protestanten naar Frankrijk. Vanaf 1661 werd dit vreedzaam samenleven in twijfel getrokken door Lodewijk XIV, die een reeks maatregelen nam die vijandig tegenover de protestanten stonden. In 1685 herriep hij het Edict van Nantes in Fontainebleau.
Vauban bleef altijd dicht bij de mensen, geholpen door zijn talloze reizen door het koninkrijk, van de ene grens naar de andere. Tijdens een missie in de Languedoc werd hij zich bewust van de onderdrukking, waarvan de protestanten het slachtoffer waren na de herroeping van het Edict van Nantes. Met zijn gebruikelijke aplomb presenteerde hij de koning een memoires over de terugroeping van de hugenoten[1] om hem te overtuigen (zonder succes) van de zinloosheid van deze intrekking.

Vauban heeft geen politieke rol, maar in zijn geschriften doet hij voorstellen om het gezag van de koning beter te vestigen en het functioneren van de staat te verbeteren.
Hij aarzelt niet om enkele gangbare praktijken van die tijd te bekritiseren.
In 1693 overtuigde hij Lodewijk XIV ervan een onderscheid te creëren dat mensen zou belonen op basis van hun talent en niet langer op basis van hun geboorte. Zo werd de Orde van Sint-Lodewijk gesticht… waarvan hij een van de eerste hoogwaardigheidsbekleders zal zijn (de koning kent zijn verdiensten en koestert geen wrok tegen hem vanwege zijn openhartigheid en zijn protesten).
Zijn nieuwsgierigheid strekt zich uit tot economie en statistiek. Hij is verontwaardigd over de erbarmelijke levensomstandigheden van de boeren. Hij schreef een project voor een koninklijke tiende waarin hij het werkelijk revolutionaire idee presenteerde van een universele en rechtvaardige belasting die rechtstreeks door het koninklijk bestuur zou worden geheven. Door dit te doen heeft de markies, toegewijd aan de koning en het monarchale principe, geen ander doel dan het verbeteren van het functioneren van de staat voor het grotere goed van iedereen. Maar zijn memoires veroorzaakten veel ophef en de ouder wordende koning moest het verbieden.
Vauban stierf kort daarna, niettemin omringd door algemene waardering. Hij wordt begraven in de parochiekerk van Bazoches, vlakbij zijn kasteel, ten zuiden van Vézelay. Zijn graf werd tijdens de Revolutie ontheiligd, maar Napoleon I vond een manier om zijn hart in 1808 naar de koepel van de Invalides in Parijs te laten overbrengen.[2]
Abdij Sainte Marie de la Pierre qui vire
Ik had ergens gezien dat in deze abdij een grote boetiek met veel theologische boeken te zien moest zijn. Dat klopte, meer dan ik dacht en met een grote verrassing voor mij: een bundel met zelfs een artikel van dr. Evert van de Poll, die mij ooit gestimuleerd heeft meer met mijn boek “De vervangingsleer voorbij, wat nu?” te doen. Een poging tot middels mijn onderzoeksvoorstel aan de ETF in Leuven te promoveren is helaas op niets uitgelopen.
Toen de winkel dichtging liepen wij aansluitend naar de kloosterkerk van de abdij, waar we net het begin konden meemaken van een getijdedienst.
Deze Benedictijner klooster in het noorden van de Morvan werd in 1850 gesticht door Jean-Baptiste Muard. De abdij dankt zijn naam aan een dolmen die in de omgeving bekend stond als La Pierre qui Vire (de steen die wendt). In 1950 werd gestart met de bouw van een gastenverblijf. Daarvan maken jaarlijks duizenden mensen gebruik voor een spirituele retraite De façade van de abdijkerk is in 1992 vernieuwd waardoor de buitenkant van de abdij zeer modern oogt. De kerk is overdag te bezoeken. De oude kloostergebouwen gaan schuil achter muren.

We reizen na onze lunch via een Grand Lac in de Morvan verder langs La Veille Auberge in het slaperige stadje Saulieu – ‘een culinair hoogtepunt in de Morvan en Côtr-d’Or’ – naar het Pays de l’Auxois.
Eigenlijk hadden we achter gezien op zoek moeten gaan naar één van de beroemdste sterrenrestaurants, de Relais Bernard Loiseau, als we Lenette Schuijt auteur van De Bourgogne uit 2019 moeten geloven. Saulieu lag overigens voorheen op een kruising tussen de Via Agrippa [de zoon van keizer Augustus] dat Lyon verbond met Boulogne-sur-Mer en de Romeinse weg van Bribacte naar Alésia en was toen al een overnachtingsplaats voor reizigers.

Semur-en-Auxois
Dit is een middeleeuws stadje met stadspoorten en oude vestingmuren, vanwaar er mooie uitzichten zijn. Vooral de grote torens van de donjon steken uit boven de vestingmuren en het doolhof van geplaveide straatjes, historische vakwerkhuizen met bijzondere gevels. Opnieuw kwam onze fietsen goed van pas om hier een indruk te krijgen. Als we het echt wilde leren kennen, hadden we op een middeleeuws festival moeten komen. Ieder jaar verandert Semur-en-Auxois dan in een middeleeuws stadje. De torens worden getooid met de rood-gele banieren en kleine vlaggetjes wapperen overal in de straten. Ridders, narren, jonkvrouwen, bedelaars, troubadours en ambachtslui slaan hun tenten op binnen de stadsmuren.
Hertog Robert II van Bourgondië verleende Semur-en-Auxois in 1272 de status van commune met een charter, wat vergelijkbaar is met beperkte stadsrechten in Nederland en de Duitse landen. Filips de Stoute liet het tijdens de Honderdjarige Oorlog van zware vestingwerken voorzien. In 1478 werd de stad door Frankrijk onder koning Lodewijk XI ingenomen. In 1602 liet Hendrik IV (de Hugonoot) de vesting ontmantelen, omdat katholieke aanhangers van de liga zich hier hadden verschanst. De beroemde vestingbouwer Sébastien Le Prestre de Vauban bracht tussen 1633-1640 een deel van zijn jeugd door in het stadje, waar hij ook school ging.

Flavigny-sur-Ozerain
Dit plaatsje staat op de lijst van mooiste Dorpen van Frankrijk en heeft een geschiedenis die teruggaat op de tjid van Julius Caesar eeuw na Christus. Rond 52 v.Chr. gaf de toekomstige Romeinse keizer, een aantal van zijn ervaren soldaten land na zijn overwinning op de Galliërs. Flavinius de Romein kreeg een heuvel die zijn naam droeg, Flaviniacum, nu Flavigny genoemd. Caesar nam anijszaadjes mee om voor zijn troepen te zorgen. Waarschijnlijk begon op dit punt het verhaal van de snoepjes van Flavigny. Het is vooral bekend vanwege de Anijsfabriek annex museum en winkel, dat de sfeer uit de film Chocolat (met Juliette Binoche en Johnny Depp), die hier voor een deel is opgenomen, waarin de een alleenstaande chocolademaakster met haar dochter in dit kleine pittoreske dorp gaat wonen en de wat terughoudende inwoners al snel verleidt. Behalve de pastoor, die zich tegen deze invloed van buiten heftig verzet. Het ideale slaperige Franse plattelandsdorpje creëerde regisseur Lasse Hallström door te filmen in twee heel verschillende locaties. Hier op het stadsplein tegenover de kerk in Flavigny-sur-Ozerain dus en ook in het zuidwesten van Frankrijk, in Beynac in de Dordogne.

In 2001 was Flavigny het decor voor de meest dure filmset van Bourgondië. Hier werd de film Le Chocolat opgenomen in8 draaiweken, 150 tot 300 acteurs per dag, technici, figuranten, tientallen telefoonlijnen, enz. De film kreeg vijf Oscarnominaties waardoor dit Bourgondische dorpje wereldwijd bekendheid kreeg.
Widerard the Burgundian
In de 5e eeuw vielen de Bourgondiërs, een Germaans-Scandinavische stam, de regio binnen. Rome gaf hen officieel toestemming om hun kamp op te zetten in deze regio waaraan ze hun naam zouden nalaten: Bourgondië. Corbon, een Bourgondische heer, liet toen een castellum bouwen in Flavigny, een bolwerk dat verantwoordelijk was voor de veiligheid en bewaking van de communicatiewegen die de dorpen van Flavinius met elkaar verbonden.
De eerste abdij van Flavigny werd gesticht onder het bewind van Clovis (465-511). Bourgondië werd vervolgens in 534 geannexeerd door het Frankische koninkrijk. De abdij werd snel verwoest en in 719 herbouwd door Widerard, de zoon van Corbon en die christen was. In zijn testament zegt hij “Ik heb een klooster gebouwd met mijn eigen kapitaal en op eigen kosten, op de plek genaamd Flavigny. Ik heb hem volgens de regels vermaakt aan de abt Magnoaldus en aan zijn monniken opdat zij hem voor de eeuwigheid bezitten”.
De monniken van Flavigny gehoorzaamden de regel van Sint Benedictus, die ernaar streefde om de tijd van de monniken in evenwicht te brengen tussen gebed, handarbeid en studies in een gemeenschappelijke leefomgeving en een geest van gematigdheid.

Deze abdij is vandaag de dag een van de oudste religieuze gebouwen in Frankrijk en heeft een zeldzaam intact Karolingisch verticaal plan. De benedictijnse regel geschreven door Sint-Benedictus van Nursia in de 6e eeuw organiseerde het dagelijks leven van monniken tussen gebed, handenarbeid en intellectueel werk.
Volgens de auteurs van de Gallia Christiana werd de nieuwe abdij, geplaatst onder het patronaat van Sint Praejectus (Prix), bisschop van Clermont-Ferrand en martelaar, opgericht op de plaats van een oude kloosterlijke stichting, die dateert, naar verluidt, uit de tijd van Clovis en voorheen onder het patronaat van Sint Petrus stond.
In 755 brengt Mannases de Grote, de eerste abt van Flavigny, de relikwieën van de heilige Prix (ook heilige Preject genaamd), over van Volvic naar Flavigny.
Pepijns opvolger, Karel de Grote , machtigde Manasses om het Karolingische klooster van Corbigny `[Nièvere] te stichten
In de 8e eeuw wordt de laus perennis, de eeuwige lofzang, nageleefd in de abdij. De monniken worden hiervoor gefeliciteerd in de oorkonde van Karel de Grote. Vanaf eind 8e eeuw bezit de abdij Saint-Pierre de Flavigny een belangrijk scriptorium. Dit woord is afgeleid van een Latijnse term die “schrijven” of “hij die schrijft” betekent. Het is de ruimte waar de monniken manuscripten kopiëren. Eén zaal in de abdij is gewijd aan het schrijven. Heel vaak is dit de enige verwarmde zaal in het gebouw. Door de warmte blijven de perkamenten en het inkt in goede staat bewaard. De kopiisten staan onder leiding van de bibliothecaris, de “armarius”. Ze kopiëren een tekst of ze schrijven een tekst op die hen gedicteerd wordt.
De regering van Karel de Grote (747-814) bracht een ware culturele renaissance met zich mee en de abdij floreerde snel. “In 733 stonden Lyon en Bourgondië onder het juk van Karel Martel. Hij delegeerde een deel van zijn gezag aan zijn zoon Pepijn de Korte, graafschappen werden gegeven aan verwanten of loyale volgelingen… en abdijen zoals Flavigny werden de meest effectieve machtscentra”.
Vanaf 776 getuigde de Laus Perennis, een gebed dat meer dan 200 jaar lang dag en nacht door de monniken zonder onderbreking werd gezongen, van de grootsheid van de abdij. De middeleeuwse relikwieëncultus droeg in grote mate bij aan de welvaart en trok pelgrims van Sint-Jacob en pelgrims van Sainte-Reine. Ze vormden al snel een menigte die gevoed, gehuisvest en verzorgd moest worden. Er waren tot wel drie ziekenhuizen in de omgeving van Flavigny.
Zo zijn ergens tussen 864 en 866 de relikwieën van de heilige Reine [of Regina] overgebracht naar de abdij van Flavigny. De relikwieën worden verplaatst om ze te beschermen tegen de invallen van de Normandiërs.
Op 28 oktober 878 werd de kerk van de abdij van Saint-Pierre de Flavigny plechtig ingewijd door paus Johannes VIII, die werd bijgestaan door 18 bisschoppen, tijdens zijn terugkeer van het concilie van Troyes. De kerk wordt dan gewijd aan de Heilige Petrus en Paulus.
Van 11 t/m 15 januari 887 vallen de Normandiers Flavigny binnen. Meerdere monniken vinden hierbij de dood. Eind 10e eeuw en begin 11e eeuw komt van de abt Helderic (990-1010), tevens abt van Saint-Germain d’Auxerre.

Door met Marguerite de Provence te trouwen, verwelkomde koning Lodewijk IX in zijn paleis een hele reeks dichters, apothekers en banketbakkers, strikt bestuurd door Blanche van Castilië, de moeder van de koning. In nieuwe recepten wordt anijs gebruikt, tot groot genoegen van de Anysetiers van de rue Vieille du Temple. De kleine suikerdragee die een anijszaadje bedekte, werd zeer gewaardeerd door de dames van het hof en werd omgedoopt tot “koningin dragee” om niemand jaloers te maken.
In 1359 belegerden de Engelsen Flavigny zes weken lang. De abdij werd geplunderd. De problemen van de periode die volgden op de godsdienstoorlogen maakten het noodzakelijk om een enorme versterkte muur te bouwen rond de abdij en haar bijgebouwen.
Tijdens zijn verblijf in Dijon in 1700 ontving de Prins de Condé vier dozijn “Anis de Flavigny” met een gewicht van achtendertig pond, voor een bedrag van 28 sola per pond. In 1703 ontving hij opnieuw 24 dozen “Anis”.
In 1701 ontvingen Monsieur de Creancey, de luitenant van de Koning voor Auzois, en zijn vrouw in Semur-en-Auxois 12 dozen Anijs de Flavigny, met een totale waarde van ‘tweeëntwintig pond en tien sols’.
In 1763 draagt de Chevalier d’Eon, spion voor koning Lodewijk XV, bij aan de ondertekening van een vredesverdrag met koning George III van Engeland door hem Flavigny-anijs aan te bieden.
Na de Franse Revolutie in 1792 verlaten op vijf na alle monniken Saint-Pierre de Flavigny. Het wordt verkocht als nationaal bezit en geplunderd. De stenen van de oude abdijkerk worden gebruikt voor de bouw van een groot aantal huizen in het dorp in de 19e eeuw. De abdij Saint-Pierre de Flavigny ligt ten zuidwesten van het dorp. Sinds de stichting is de abdij vele malen verwoest en weer opgebouwd. Tegenwoordig is het oudste zichtbare deel de crypte, die dateert uit de tijd van Saint-Germain d’Auxerre.
In 1814 waren er acht fabrikanten van Anis die de productie van het snoepgoed in het dorp en in de abdij van de monniken hadden overgenomen. In 1846 verving de snoepturbine de antieke “shaker”.
In 1896 kocht de fabrikant Jacques Edmond Galimard de abdij en alle productieateliers van “Anis” om er één geheel van te maken binnen de abdij.

Tussen 1956 en 1960 werd van de Karolingische crypte herontdekt door Fred Guggenheim, een jonge Amerikaanse archeologiestudent, die Jean Troubat het plan van een prachtige crypte liet ontdekken.
In 1965 neemt Nicolas Troubat het stokje over van zijn vader, ondersteund door zijn zus Christine. In het bijzonder zal hij Anis introduceren in de tankstations van de gloednieuwe snelwegen. Toch komt men ook nu geregeld monniken tegen in Flavigny. Elders in het dorp is namelijk sinds 1976 een nieuwe Benedictijner abdij (Abbaye Saint-Joseph de Clairval) gevestigd waar zo’n 50 monniken wonen.
Voor een uitgebreidere versie van deze boeiende geschiedenis klik hier en klik rechts voor vertaling in het Nederlands. Ook op deze website van bourgognemedievale is nog meer informatie en foto’s te zien over het middeleeuws erfgoed van Flavigny-sur-Ozerain.
Alésia en Bibracte
We hebben afgezien van een bezoek aan de abdij van Fontenay en Museoparc Alésia. In het jaar 52 voor Christus is Alésia de plek voor het zes weken durende eindgevecht van de Gallische Oorlog tussen de Galliërs onder leiding van Vercingetorix en het leger van proconsul Julius Caesar. Caesar zette 3 militaire kampen op de heuvel op, inclusief het ziekenhuis en de ziekenboeg. Hij bracht groene anijszaden mee om zijn troepen te behandelen voor spijsverteringsstoornissen. Na de overwinning van Caesar bood hij de heuvel aan Flavinius, een van zijn veteranen, die zijn naam aan de stad gaf. Dankzij opgravingen die Napoleon III liet uitvoeren in 1861 kwam met op het spoor van deze archeologische plek rond Mont Auxois, waar nu een openluchtpark van Europees formaat te bezoeken is.
We weten dat de Morvan al rond het begin van onze jaartelling werd bewoond, dankzij restanten die eind 19e-eeuw werden aangetroffen op de Mont Beuvray. Tot die tijd was de exacte ligging van de Gallisch stad Bibracte niet bekend.

Een Keltische stam, de Aedui, vestigt zijn hoofdstad in Bibracte (Saône-et-Loire): een strategische plek om een van de grootste vestingsteden uit die tijd te bouwen. In 1867 had Napoleon III, een wijnhandelaar uit Autun met succes de opdracht gegeven om te zoeken op die berg van 821 meter hoog. De opgravingen duren nog steeds voort. In de zomer kun je er archeologiestudenten uit verschillende landen tegenkomen. Deze plek is een van de belangrijkste bronnen van onze kennis over de Keltische beschaving. Het Bibracte-museum aan de voet van de berg toont een aantal replica’s van de belangrijkste vondsten, met maquettes en beeldmateriaal.[3]
[1] https://www.museeprotestant.org/wp-content/uploads/2014/01/M%C3%A9moire-pour-le-rappel-des-huguenots.pdf
[2] https://www.herodote.net/Un_Marechal_proche_du_peuple-synthese-161-305.php
[3] Bourgondië, wijn en weelde van Marion van Amelrooij, 2019, blz. 50-51






