Op ’t spoor van de Bourgondiërs, de aartsvaders van de Lage Landen, deel 7


Deel 7: Dijon en Dôle Een Reis door de Bourgondische geschiedenis.

Hotel Odalys City Dijon Les Cordeliers

Het begon allemaal in 1369, toen Filips de Stoute  (1363-1404) trouwde met Margaretha van Male, waardoor het hertogdom Bourgondië verenigd werd met het graafschap Vlaanderen. Filips de Stoute was de zoon van de Franse koning en de Fransen hadden dan ook stevig de hand in dit huwelijk. Zij hoopten zo de machtige vazalstaat Vlaanderen aan zich te binden en op den duur zelfs te annexeren. Bovendien hoopten ze vurig dat een van hun nakomelingen vroeg of laat op de Franse troon zou plaatsnemen. Maar door toevallige gebeurtenissen ontstond er plotseling een verwijdering tussen Frankrijk en de Bourgondische gewesten, eerst door de moord op hertog Jan zonder Vrees (1419) en daarna door het optreden van Jeanne d’Arc (1429). Vanaf dat ogenblik hebben de Bourgondische vorsten zich geconcentreerd op de uitbouw van een eigen Bourgondische staat, die zich nestelde rondom de grenzen tussen Frankrijk en het Duitse Rijk.

In de tweede helft van de 15de eeuw, stelden de Bourgondiërs zich als doel om hun rijk uit te breiden vanuit Bourgondië, met Dijon als hoofdstad, tot aan de Waddenzee, wat gedeeltelijk lukte. De zetel van de door Filips de Goede opgerichte befaamde ridderorde van het Gulden Vlies was gelegen in Dijon. In 1473 bereikte Bourgondië een hoogtepunt, toen niet alleen Holland en Zeeland, maar ook Gelre veroverd was. Hertog Karel de Stoute, ondertussen ook hertog van Gelre en graaf van Zutphen, ambieerde zelfs de koningstitel van het vroeger Karolingisch Middenrijk, (Midden-Francië of Koninkrijk Lotharingen), en wilde dit land herstellen in zijn oude status.

Hertogelijk Paleis van Bourgondië

Eindelijk waren we dan aangekomen bij de belangrijkste bezienswaardigheid, waar ik lang naar had uitgekeken: het Palais des Ducs, met daarin het Museé des Beaux-Arts en de Philippe-la Bon-toren, ook wel La Tour de Bar genoemd, een massieve donjon van 46 meter hoog met een wenteltrap van 316 treden, gebouwd in de 15e eeuw. Dit is op het Louvre na het grootste en oudste museum van Frankrijk, dat na verschillende renovaties sinds mei 2019 heropend is. De oude hertogelijke residentie werd in de 15e eeuw herbouwd onder Filips de Goede en werd vanaf de 16e eeuw de thuisbasis van de koning en de gouverneur van de provincie en is verbonden met het Paleis van de Staten van Bourgondië, gebouwd in de 16e eeuw. 

Dit complex dat aan de ene kant uitziet op het halfronde plein van de Place de la Libération en aan de andere kant het hertogen plantsoen, bevat ook nog eens het stadhuis van Dijon. Het was inderdaad overweldigend en teveel om allemaal in een keer te zien of in je op te nemen. Wij troffen het, dat we op de eerste zondag van de maand gratis naar binnen mochten, inclusief de tentoonstelling ‘Maîtres er Merveilles’: 75 Germaanse schilderijen uit Franse collecties 1370-1530 met essentiële leessleutels om de plaats van deze werken aan het einde van de Middeleeuwen te begrijpen.

Het hoogtepunt tussen alle schilderijen en andere kunstwerken blijven de praalgraven van Filips de Stoute, Jan zonder Vrees en Margaretha van Beieren. Zij behoren tot de beroemdste grafmonumenten van de late middeleeuwen.

Jean de Marville, Graf van Filips de Stoute

Filips de Stoute wilde dat zijn graftombe plaats zou krijgen in het koor van de kartuizerkerk van Champmol. Als gevolg hiervan gaf hij in 1381 de opdracht voor het monument aan de beeldhouwer Jean de Marville. Hij was het die de tombe ontwierp, met op de zwarte marmeren plaat de liggende figuur van de hertog en op de albasten sokkel een processie van rouwenden onder gotische architectuur. De vervaardiging van de rouwenden wordt toevertrouwd aan Klaas Sluter. De beeldhouwer doet denken aan de begrafenisstoet die de hertog vergezelde toen hij in 1404 stierf. Hij toont een grote verscheidenheid aan uitdrukkingen en vertaalt de vele reacties van de deelnemers op de dood (sommigen wisselen woorden uit, anderen bidden of mediteren …). Ze zijn kenmerkend voor de stijl van de kunstenaar door hun realisme en door de zware drapering van hun kleding.
Dit graf stond tevens model ​​voor de uitvoering van het graf van Jan zonder Vrees (de zoon van Filips de Stoute) en Margaretha van Beieren, in opdracht van Jean de la Huerta en Antoine Le Moiturier in 1433.

Jean de la Huerta en Antoine Le Moiturier, Graf van Jan zonder Vrees en zijn vrouw Margaretha van Beieren

Heel leuk was een spontaan gesprekje met een ouder echtpaar uit Gent, toen wij bij naar dit plakkaat aan de muur van het hertogelijk museum  keken, dat vertelt dat Dijon ooit begonnen is als een Romeinse Castrum (legerplaats).  Ook zij vroegen zich net als wij af hoe Bourgondisch de inwoners van Dijon zich voelen, anders dan Fransen. En hoe dat voor henzelf was hier te zijn, toen ik begreep dat ze ook nog eens uit het opstandige Gent kwamen.

Bij Office du Tourisme kun je het “Uiltje van Dijon” -een chouette- verkrijgen, het symbool van Dijon en één van de leukste wandelingen van de stad in het Nederlands. Een aanrader.

Wij hebben vooral de stad verkend op onze fiets. Mij viel op dat van het voorportaal van de Notre-Dame vrijwel niets meer herkenbaar was, alsof  ze het er hier na huis gehouden te hebben tijdens  de Franse revolutie nog steeds bij wilden laten.
Het Jacquemart-uurwerk op de rechtertoren is mij helaas ontgaan. Dit was in 1382 door Filips de Stoute in Kortrijk buit gemaakt en door hem aan de inwoners van Dijon geschonken als dank aan de hulp in de oorlog tegen Vlaanderen toen. Het slaat vandaag nog steeds de uren.

De Saint-Bénigne kathedraal

De meeste indruk maakte de nog op mij door zijn oudheid en bijzondere geschiedenis. Vooral toen ik begreep dat deze ‘heilige’ daar door Polycarpus (die zelf een leerling was van de apostel Johannes uit Klein-Azië) in de 2e eeuw  was heen gezonden om het evangelie te brengen. De crypte bevat naar alle waarschijnlijk nog steeds de resten van de eerste Bourgondische martelaar. Rondom de sarcofaag van deze Bénignus werd in 535 een basiliek gebouwd en een abdij gesticht. De basiliek werd in 871 gerestaureerd. In 990 werd de Cluniacenzer liturgie ingevoerd. Wegens brand moest de Saint-Bénigne in de 13e en 14e eeuw worden herbouwd. De huidige kathedraal, in gotische stijl, dateert uit die periode.

Toen ik bij de boekentafel door een boekje bladerde viel mijn oog op een tekst over een echt Bourgondische abdij en Noach, immers “Het leven in Dijon, zelfs het religieuze leven, wordt niet adequaat beschreven als wijn buiten beschouwing wordt gelaten… Waar heeft de wijn meer eer ontvangen dan in de Bijbel? Noach was nog maar net uit de ark of hij plantte een wijnstok. En natuurlijk dronk hij van zijn eigen wijn. En… maar laten we meteen een sluier werpen, de Bijbel zegt zelfs een over deze oerroes, het ongeluk van een beginner die van de mantel wordt betrapt. De opvolgers van Noach lieten nooit na hun zonen rond hun sterfbed te verzamelen om hen te zegenen met een wens die zij alomvattend vonden: “Moge God u altijd wijn in overvloed geven”. Is er een eigenschap nodig om een gelukkig land te markeren? De Bijbel stelt zich tevreden met één woord: “Het is een land van goede wijn”. En in het boek Spreuken staat: “Wijn, als het goed is, verheugt het hart van de mens. Wijn maakt het leven vrolijk”. Als u hun wijnkelders ziet, kunt u er dus zeker van zijn dat ze een gelukkig leven leidden in Bourgondische kloosters. Hoe dankbaar is men de monniken van Cîteaux die de wijngaarden van Bourgondië hebben geplant en de Clor de Vougeot hebben bewerkt. De monniken van Saint Benigne’s en die van Labussière bouwden hun kelders net buiten hun abdij, terwijl beroemde maar verre abdijen, zoals Clairvaux, hun wijninrichting in de stad zelf hadden opgericht.”

Om de hoek zagen we dat in de kapittelzaal en het scriptorium uit de 11e eeuw en het daarboven gelegen slaapzaal uit de 13e eeuw van deze voormalig benedictijnenabdij nu het Archeologisch museum is gevestigd.

Een eerste basiliek werd tijdens de vroege middeleeuwen opgericht, op het graf dat in de 6e eeuw werd erkend als dat van de apostel van Bourgondië, Bénigne. Rond het jaar 1000 werd Willem van Volpiano via Cluny naar Dijon gestuurd om het klooster te hervormen. De nieuwe pelgrimskerk die hij had gebouwd en de rotonde waarin de relikwieën van de heilige waren gehuisvest maakten zijn reputatie in heel Bourgondië. De oude kloostergebouwen zijn grotendeels verdwenen.

Les Halles

We hebben even bij Les Halles in de Rue de la Chaudronnerie naar binnen getuurd. In 1868 begon Gustave Eiffel met de bouw van de markthallen, ontworpen om de dagelijkse overdekte markt te huisvesten. De buitenkant van het gebouw is rijk gedecoreerd en verwijst naar de activiteiten in de hallen. Hier schijn je vooral op vrijdag- en zaterdagochtend moet zijn voor de enorm grote overdekte markthal.

Eglise Reformee de France

Vlakbij Place Grangier ontdekten we nog een lutherse Eglise Reformee de France. In de boekwinkel tegenover het prachtige Place Grangier Postkantoor, een art-nouveau pand met heel aparte pagodevormige dakjes, ontdekte ik een bijzonder boek van Philippe Haddad met de titel Quand Jésus parle à Israel – un rabbin lit les Évangiles. Hij is rabbijn van de l’Union libérale israélite de France (ULIF). Hij maakt het mogelijk om punten van overeenstemming tussen Jezus en bepaalde leringen van de rabbijnen van de Talmoed te benadrukken, maar evengoed om de originaliteit van de leer van Jezus in relatie tot zijn tijdgenoten te onderstrepen. De welwillende kijk van de auteur op het leven en de lessen van Jezus maakt deel uit van de zoektocht naar een broederlijke dialoog tussen joden en christenen sinds het Tweede Vaticaans Concilie.

Francois Rude

We waren vooral onder de indruk van de voormalige abdijkerk St-Etienne, dat nu als cultureel centrum dient en waarvan het schip het Musée Rude herbergt met meters hoge afgietsels van de beeldhouwer Francois Rude, die in Dijon geboren is

Ook Hôtel de Vogüé, een herenhuis van de familie Vogüé uit de 17e-eeuw met zijn afgesloten binnenplaats en bijzondere daken kon ons erg bekoren.

Muurschildering en kathedraal Dôle

Via onze verzekering hadden wij vernomen, dat niet in Dijon, maar in Dôle een garage was, die ons zou kunnen voorzien van een nieuwe zijruit, zodat de tijdelijke plexiglas vervangen kon worden en we het zijraam weer open en dicht konden doen. Dat betekende een extra uitje, dat we niet gepland hadden, maar mede dankzij onze fietsen nieuwe ontdekkingen opleverde.

De stad Dôle, gelegen op de uitlopers van een heuvelrug in de westelijke Jura, is de voormalige hoofdstad van de Franche Comté. Dôle is altijd het symbool geweest van het verzet tegen de Fransen. Het gebied heeft lang een betrekkelijke onafhankelijkheid gekend. Na een steile helling bedwongen te hebben, kwamen we – vaste prik – bij het Office de Tourisme aan, waar ik bemerkte dat France Comté toch wel een geheel eigen regio is. En dat Dôle de geboorteplaats was van Louis Pasteur (1822 –1895). Niet veel verder in de autoloze binnenstad, zagen wij ineens deze immens grote muurschildering, met voor mij als meest verrassende verschijning Frederik I Barbarossa (1122-1190). Want wat doet deze keizer uit het huis Hohenstaufen hier in Dôle? En wie zijn al die andere personages op deze muur? Gelukkig was er een bord met uitleg wie wie is. Later heb ik thuis deze Franse website gevonden die dat nog eens netjes beschrijft, inclusief een videoclip. Behalve natuurlijk Louis Pasteur [links boven] [1], vielen mij vooral Filips de Goede op, jawel daar was hij weer. Onder zijn regering werden de wallen aan de rivierzijde bij Dôle voltooid en de gebouwen van de Parlement van het graafschap Bourgondië, in zijn aanwezigheid weelderig ingehuldigd in maart 1422. Hij stichtte de Universiteit van Dôle in 1422. En het was Karel V van Habsburg [in uniform rechts op het balkon], die van Dôle de hoofdstad van Franche-Comté maakte, een frontliniebolwerk op drie plaatsen van het Koninkrijk Frankrijk.

In 1155 erfde keizer Frederik I van Barbarossa (hertog van Zwaben) de Franche Comté, dat daarna deel uitmaakt van het Roomse Rijk. Hij is degene die van Dôle in de 12e eeuw een vestingstad maakt. Nieuw voor mij was dat hij getrouwd was met de gravin Beatrijs van Bourgondië (1143 – 1184), dochter van Rainaud III, die van Dôle zijn woonplaats maakte, en door haar huwelijk in (1156) bijdroeg aan het versterken van de rol van Dôle. Het jaar daarvoor had hij nog op toegezien dat de Valkhofburcht in Nijmegen herbouwd zou worden. Op 10 juni 1190 verdronk hij in de rivier de Selef in Anatolië tijdens de Derde Kruistocht.
Sinds de 14e eeuw behoort de Franche Comté vervolgens toe aan de Hertogen van Bourgondië. In 1479 wordt de stad veroverd door de rivaal van Karel de Stoute, de Franse koning Lodewijk XI (1423-1483) en in de brand gestoken en vanaf dat moment start het verzet van de inwoners van Dôle om daarna nog verschillende malen in andere handen over te gaan, (waaronder de Grote Belegering van Dôle in 1636 door Lodewijk XIII) totdat het in 1678 definitief bij Frankrijk wordt gevoegd bij de Vrede van Nijmegen (1678).

Na klein beetje verder fietsen, kwamen we plotseling deze enorme collegiale kerk tegen. (Dat is een kerk met een kanunnikenkapittel, maar geen bisschopszetel. Dat betekent dat de kerk belangrijker is dan een kerk, maar niet echt een kathedraal is).

Deze kapittelkerk, Onze-Lieve-Vrouw van Dôle, waarvan de toren 75m hoog is, werd na de plunderingen van Lodewijk XI in 1479 tussen 1509 en 1580 herbouwd en staat symbool voor het herstel van de stad. Het is een gebouw in gotische stijl met een aantal kunstwerken uit de renaissancetijd. In 1951 werd ze verheven tot de titel van kleine basiliek, waar je niet zomaar bent uitgekeken al tal van bijzondere kunstwerken en zijkapellen.

Opvallend, merkwaardig, zo niet afstotend vond ik in deze aparte heilige koninklijke kapel een glas-in-loodraam, waarop Lodewijk XIV met zijn hof op 9 juni 1674 de hostie aanbidden, dat  het eucharistische wonder van Faverney tijdens Pinksteren eind mei 1608 vertegenwoordigt, ten tijde van het beleg van Dôle van 26 mei tot 6 juni 1674 , dat hij persoonlijk leidde (twee jaar na het rampjaar in, toen hij in zijn dorst naar glorie ons land binnenviel en we onze waterlinies moesten inzetten om zijn leger te verdrijven en een jaar na het beleg en de inname van Maastricht).

Figuur 9 toont het eucharistische wonder van Faverney tijdens Pinksteren 1608. Het vuur dat het altaar verwoest zal de monstrans sparen.

Internationale stad van Gastronomie

Op onze terugreis naar Dijon hebben we nog even een kijkje genomen bij het naar verluid moderne in 2022 geopende Cité internationale de la Gastronomie et du vin aan de rand van Dijon op de locatie van het historische Hôpital de Dijon, een tiental winkels en bars/restaurants waar je de allerlei producten kunt kopen of proeven. Toen wij er waren zag het er voor ons echter vrij uitgestorven en prijzig uit. De Libraire gourmande is wel een van de meest uitgebreide kookboekhandels die je ooit gezien hebt, mocht je daarop uit zijn. Het zou het logische vervolg zijn na het uitroepen van de Franse keuken tot immaterieel werelderfgoed.



[1] Franse wetenschapper geboren in Dole, scheikundige van opleiding, pionier op het gebied van de microbiologie. Hij staat wereldwijd bekend om de ontwikkeling van het hondsdolheidsvaccin en om de uitvinding van pasteurisatie, een conserveringsmethode door middel van matige verwarming, weg van de lucht, oorspronkelijk gebruikt voor wijn en bier. Zijn geboorteplaats (rue Pasteur 43) herbergt nu een museum dat zijn wetenschappelijke carrière en zijn talrijke ontdekkingen belicht

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.